Hogeschool Keuze Module

geplaatst in: Blog | 0

De weg naar leiderschap
In zijn eerste inaugurele rede in 2009 deed Barack Obama aan het Amerikaanse volk de oproep om volwassen te worden en verantwoordelijkheid te nemen voor de uitdagingen van deze tijd: ‘de kindertijd is voorbij.’ Zijn persoonlijke weg naar volwassen worden beschrijft Obama in zijn autobiografie Dromen van mijn vader, die uitkwam voordat hij president werd.
In dit artikel beschrijf ik de weg naar persoonlijk leiderschap van Obama aan de hand van Joseph Campbells boek The Hero with a Thousand Faces, waarin Campbell aantoont dat mythen, verhalen en sprookjes eenzelfde universeel model gemeen hebben. Hij noemt dit de ‘monomythe.’ De monomythe kent drie hoofdfasen: 1) de oproep tot avontuur, 2) de inwijding en 3) de terugkeer van de held. De monomythe kunnen we toepasse op ons eigen leven en inzicht in de monomyhte kan ons helpen om ons persoonlijk leiderschap op te nemen.

De oproep tot avontuur
Barack Obama is het kind van een Keniaanse vader en een blanke Amerikaanse moeder. Omdat zijn vader hem al vroeg verlaat, wordt hij vooral opgevoed door zijn moeder en zijn grootouders van moeders kant. Hoewel Barack zijn vader slechts eenmaal ontmoet, krijgt hij van zijn opvoeders geen negatief beeld mee over zijn afwezige vader. Integendeel: het beeld dat ze schetsen is dat van een slimme held die vanuit armoede en moeilijkheden is opgeklommen op basis van karakter en een goed stel hersens. In de ogen van zijn moeder en grootouders is de huidskleur van Barack en zijn vader geen issue, en daarom ervaart Barack dat ook niet zo.

Dit verandert als Barack, tien jaar oud, in een Times Magazine een foto van een Afro- Amerikaanse man ziet die zichzelf op een chemische wijze blank heeft gemaakt. Het is het begin van een angst ‘voor een verborgen vijand, eentje die me kon pakken zonder dat ik het door had, zelfs ikzelf niet.’ Hoewel Obama diep geschokt en in de war is, schrijft hij in zijn autobiografie: ‘Ik hield deze ontdekkingen voor mezelf (…) Ik vertrouwde nog steeds op de liefde van mijn moeder maar ik werd geconfronteerd met de mogelijkheid dat haar uitleg van de wereld en de plaats van mijn vader daarin, niet helemaal volledig was.’

De foto van de chemisch-blanke man en de schok waarmee Baracks bekende, veilige wereld uiteen wordt gespleten, is wat door Joseph Campbell de oproep tot avontuur wordt genoemd. Het is het moment waarop de held door iets van buitenaf wordt opgeroepen om een bepaalde sociale situatie te verlaten, op zichzelf komt te staan en een nieuwe, onbekende wereld betreedt. In het geval van Barack Obama betekent dit dat hij zich voor de allereerste keer bewust wordt van zijn eigen verhaal. Het is het begin van zijn zoektocht, een innerlijke weg die existentiële vragen opwerpt over wie hij is, waar zijn wortels liggen en wat hij te doen heeft in deze wereld. Deze vragen kan zijn moeder niet voor hem beantwoorden, noch zijn vader. Het zijn vragen waar hij alleen zelf het antwoord op kan vinden.

De gids
Volgens Joseph Campbell gaat geen enkele held op weg zonder een gids of helpers. Deze komen vaak in ons leven in de vorm van echte personen, maar ook een boek, een film of iets anders kan ons de weg wijzen. De gidsen leiden de held na de oproep naar de volgende fase: de weg van de beproevingen. Naarmate hij ouder wordt, ervaart Obama deze weg van beproevingen als een pijnlijke zoektocht naar zijn identiteit. Als hij naar een overwegend blanke middelbare school gaat en daarna politicologie gaat studeren, voelt hij steeds sterker een diepe vertwijfeling over waar hij nu thuishoort. Hij kan niet aarden in de witte gemeenschap, maar ook niet in de Afro- Amerikaanse gemeenschap.

Een belangrijke gids die de jonge Obama de weg wijst, ontmoet hij na zijn studie politicologie, wanneer hij als opbouwwerker in Chicago werkt. Deze gids heet Assante en is leraar op een school met voornamelijk Afro-Amerikaanse leerlingen. Hij vertelt Obama over het belang van het kennen van je eigen verhaal. Assante is hem daarin voorgegaan, door zelf terug te gaan naar het land van zijn voorvaderen. Na die reis kwam hij tot de volgende conclusie: ‘Het beginpunt van elke opleiding moet zijn dat een kind inzicht krijgt in zichzelf, zijn cultuur, zijn gemeenschap.’ Aan het eind van hun gesprek verzekert Assante Obama dat zijn leven zal veranderen als hij op zoek gaat naar zijn wortels, in Kenia.

De weg van beproevingen
Na deze ontmoeting komt Obama in contact met zijn halfzus Auma. Zij heeft veel meer van zijn vader meegemaakt dan hij en zij vertelt een ander verhaal over Obama’s vader, namelijk hoe hij als vader en als politicus heeft gefaald. Dit meer realistische verhaal doet de heldenmythe afbrokkelen die Obama altijd van zijn moeder te horen heeft gekregen. Zijn vader is al een aantal jaren overleden en na Auma’s verhaal vindt Obama, door het contact met zijn zus en een oudere broer, de moed om naar Kenia te gaan, een reis waarop Auma hem vergezelt.

In Kenia ontmoet hij veel verwanten die, ieder met weer andere herinneringen aan zijn vader, een completer beeld schetsen van hoe zijn vader was. Obama begint zich te realiseren dat hij deel is van een groter geheel, van een familie en van een land, waarin meerdere levens verweven zijn. Alle verhalen van zijn familieleden over zijn vader, van zijn vrouwen en kinderen, maar ook over zijn voorouders, leren Obama ook dat hij niet alleen staat in zijn worsteling met zijn identiteit. Zijn vader en grootvader zijn hem daarin voorgegaan.

Bij de graven van zijn vader en opa huilt hij: ‘O, vader. Er was geen schande in je verwarring. Geen schande in je angst of in de angst van je vader daarvoor. De enige schande zat in de stilte die de angst had voortgebracht. Als de stilte er niet was geweest, had jouw grootvader jouw vader misschien verteld dat hij nooit aan zichzelf kon ontsnappen noch zichzelf in zijn eentje kon herscheppen. Jouw vader had dezelfde lessen aan jou kunnen leren.’

De monomythe leert ons dat het vertrek uit de bekende wereld en het aangaan van het avontuur waarin je onherroepelijk wordt beproefd, altijd iets oplevert: helden vinden een schat, trouwen met een mooie prinses of worden uiteindelijk koning. In het dagelijks leven vergeten we dat echter dat het onder ogen zien van de van pijn en het ondergaan van beproevingen een functie heeft. ‘Je pijn,’ zo heeft Kahil Gibran het ooit fraai verwoord,’ is het breken van de schaal die je inzicht omsluit.’ In die zin is de weg van beproevingen vergelijkbaar met het verzorgen van een plant. Snoeien is pijnlijk maar noodzakelijk om tot volle bloei te komen.

Voor Obama is de pijn en de verwarring over zijn identiteit een aansporing om op zoek te gaan naar zichzelf en zijn wortels. Dat hij dat moet doen zonder de steun van zijn opvoeders of een vaderfiguur helpt hem juist op eigen benen te gaan staan en een eigen visie te ontwikkelen over hoe hij zijn leven wil inrichten. Hij wordt zo ook gedwongen andere identificatiefiguren te zoeken die meer passen bij zijn idealen, zoals de eerste zwarte burgemeester van Chicago, Harold Washington.

In de film The Lion King moet Simba, de zoon van de leeuwenkoning Mufasa, de strijd aangaan met zijn oom Scar, die zijn vader heeft vermoord en Simba daarvan de schuld heeft gegeven. Niet wetend wat te doen ontvlucht Simba het koninkrijk en hij laat de macht aan Scar. Halverwege de film verschijnt de geest van Mufasa aan Simba en vertelt hem: ‘je bent vergeten wie je bent en daarom ben je mij vergeten.’ Zijn vader roept hem op zijn rechtmatige plaats in te nemen in de cirkel van het leven. Zolang Simba slachtoffer is van zijn (onterechte) schuldgevoelens kan hij geen koning zijn. Het ‘vergeten’ van zijn bestemming en het verdringen van zijn pijn door op een afgelegen plek, ver van het koninkrijk, te doen alsof er niets aan de hand is (‘hakuna matata’) houdt Simba in een kinderlijke staat.

De terugkeer: het terugbrengen van de schat
Simba kan pas zijn plek innemen en koning zijn als hij de waarheid onder ogen ziet dat hij niet schuldig is aan de dood van zijn vader. Het verhaal dat hij zichzelf vertelt over zijn schuld heeft hem niet alleen van zijn vader en dus zijn afkomst afgekeerd maar ook van zijn bestemming. Pas wanneer hij besluit in een ander verhaal te geloven, het verhaal dat zijn dode vader hem vertelt (‘Je bent meer dan dat je nu geworden bent’), kan hij terugkeren naar het koninkrijk, de strijd aangaan met Scar en zijn rechtmatige plek als leeuwenkoning opeisen.

Simba’s koningschap is wat Joseph Campbell ‘het terugbrengen van de schat’ noemt. In deze derde en laatste fase van de monomythe gaat het erom dat de held datgene wat hij heeft gevonden op zijn avonturen, de schat, terugbrengt in de gemeenschap. Net als Simba heeft Barack Obama eerst zijn innerlijk leiderschap moeten ontwikkelen voordat hij zich kan wagen aan zijn uiterlijk leiderschap dat uiteindelijk leidt tot het presidentschap van de Verenigde Staten. Hoewel hij geen kwaadaardige oom had te overwinnen zoals Simba, had Obama wel zijn innerlijke demonen te overwinnen. Demonen die hem zijn leven lang het gevoel hebben gegeven nergens thuis te horen en er als individu niet toe te doen. Door naar Kenia te gaan overwint hij deze demonen en is hij klaar om zijn rechtmatige plek in te nemen. Hij is volwassen geworden en een aantal jaren later is zelfs de tijd gekomen om president te worden.

Leiderschap van binnenuit
De autobiografie van Barack Obama gaat niet over zijn successen als politicus, maar over de zoektocht naar zichzelf die voorafging aan zijn uiterlijke succes. Obama heeft het in Dromen van mijn vader nauwelijks over wat hij moet worden, maar is vooral bezig met de vraag wat hem heeft gemaakt tot wie hij nu is. Hij heeft eerst zijn persoonlijk leiderschap te verwerven, voordat hij zich waagt aan uiterlijk leiderschap. Wat Obama zo charismatisch maakt, is dat hij zijn leiderschap daadwerkeljk van binnenuit leeft. Veel jongeren maken onbewust keuzes op basis van verwachtingen van anderen, van ouders, leraren, vrienden, of gekleurd door de media. Maar deze keuzes blijken vaak niet duurzaam; na een jaar (of eerder) wordt gekozen voor een andere studie of beroepsopleiding, of de jongeren haken teleurgesteld af. Als beginnend professional hoppen ze van baan naar baan, kunnen nergens echt aarden en blijven op zoek naar de juiste plek waar ze tot bloei kunnen komen.

De ervaring leert dat het bepalen van je koers bepalen zonder het ontwikkelen van innerlijk leiderschap erg lastig is. Daarom is het noodzakelijk dat jongeren in een eerder stadium begeleiding krijgen bij het ontwikkelen van hun innerlijk leiderschap, bijvoorbeeld voor of tijdens een studie of nieuwe baan. Wanneer jonge professionals hun innerlijk kompas hebben ontwikkeld, zijn ze gemakkelijker in staat hun koers in de uiterlijke wereld te bepalen. Dit innerlijk kompas geeft dan een richtingsgevoel dat gestuurd wordt door zelfinzicht. Inzicht in wat jou heeft gemaakt tot wie je nu bent, inzcht in je kwaliteiten, talenten en motivatie (je kracht), maar ook inzicht in je beperkingen en leerpunten (je zwaktes).

Leef je eigen verhaal
In zijn allereerste boek De alchemist stelt Paulo Coelho dat iedereen een persoonlijke legende heeft. ‘Een persoonlijke legende is het pad dat we nemen dat ons vervult met enthousiasme. Het is de weg van onze dromen (…) Iedereen, vooral op jonge leeftijd, weet wat zijn persoonlijk legende is. Op dat punt in het leven is alles duidelijk en alles mogelijk. Er is geen angst om te dromen en te verlangen.’
Jonge mensen staan in essentie bijzonder open voor hun eigen verhaal maar gaandeweg wordt het steeds moeilijker om hier dichtbij te blijven. En als je het contact met je eigen verhaal kwijtraakt, dan wordt de vraag: als je niet je eigen verhaal leeft, wiens verhaal (verlangens, verwachtingen en dromen over wie je zou moeten zijn) leef je dan? Als je andermans verhaal leeft, kun je nooit optimaal jouw kracht en talenten inzetten; je wordt dan geleefd en je raakt vroeg of laat uit koers.

Daarom is het zo essentieel om jongeren te begeleiden in het helder krijgen van wat hen inspireert, wat hun dromen zijn en hoe ze die concreet denken vorm te geven. Onderzoek onder studenten in Amerika laat zien dat studenten die een heldere visie hadden over hun ideale toekomst (slechts 3%) na tien jaar 90% van het gezamenlijke inkomen van de hele groep verdienden. Het levert op alle fronten dus veel op als er ruimte is om te dromen en te leren hoe die dromen te realiseren.

John F. Kennedy heeft eens gezegd dat we mensen nodig hebben die kunnen dromen van oplossingen die nog niet bestaan. Ik vind die uitspraak actueler dan ooit. Deze onzekere tijd met al zijn uitdagingen vraagt om die mensen. Jongeren, die nog in mogelijkheden en kansen denken, lijken me bij uitstek toegerust voor die taak. Maar dit kan alleen als wij ze die kans geven. Louter het overbrengen van kennis en kunde, zoals in het huidige onderwijs gebeurt, zal jonge mensen daarbij echter niet helpen; er is meer voor nodig, vooral verbeeldingskracht want verbeelding is zonder grenzen. Als jongeren leren om de kracht van hun dromen te benutten en de stuurkracht inzetten die vrijkomt als ze geïnspireerd raken door hun eigen verhaal, kunnen we recht doen aan de uitspraak van Nelson Mandela: ‘Soms valt het een generatie toe om groots te zijn. Jullie kunnen die generatie zijn.’

Delen is fijn!
Volgen Marita Coppes:

storyteller

Marita Coppes, schrijver van De laatste verhalenweefster, verschenen bij Ambo Anthos, loopbaancoach, trainer.

Laatste berichten van